Het verkeersreglement geldt voor het verkeer op de openbare
weg van voetgangers, van voertuigen, van trek- last- of rijdieren
en van vee (Art1).
In het reglement wordt vaak het woord bestuurder genoemd.
Hieronder wordt verstaan al wie een voertuig bestuurt of trek-
last- en rijdieren of vee geleidt of bewaakt. (art. 2.12)
Voor een bestuurder van bespannen voertuigen is een vereiste
minimum leeftijd vastgesteld van 16 jaar. Voor de bestuurders van
niet ingespannen trekdieren, van last- of rijdieren of van vee
geldt de vereiste minimumleeftijd van 14 jaar. Die leeftijd wordt
teruggebracht op 12 jaar voor de bestuurders van rijdieren op
voorwaarde dat zij begeleid worden door een ruiter die ten minste
21 jaar oud is.(Art 8.2)
Elke bestuurder moet in staat zijn te sturen en de vereiste
lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid
bezitten. Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewegingen
uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in
de hand hebben.(Art 8.3).
Met voertuig wordt bedoeld: elk middel van vervoer te land,
alsmede alle verrijdbaar landbouw- of bedrijfsmaterieel (Art
2.13). Elk voertuig of elke sleep in beweging moet een bestuurder
hebben Dit geldt ook voor trek-, last- of rijdieren of van vee
(Art 8.1).
Hier worden geen specifieke regels genoemd voor aanspanningen,
dus gelden de algemene regels: wanneer een openbare weg een
rijbaan omvat moeten de bestuurders deze volgen. Een aanspanning
mag niet op het fietspad, dit is slechts bestemd voor fietsers of
bestuurders van tweewielige bromfietsen (klasse A en klasse B
onder bepaalde voorwaarden); Een aanspanning mag uiteraard niet
op het trottoir. De bestuurders van niet ingespannen trekdieren,
van last- of rijdieren of van vee mogen buiten de bebouwde kommen
de gelijkgrondse bermen volgen die rechts in hun richting liggen,
op voorwaarde dat zij de andere weggebruikers niet in gevaar
brengen (KB 25-3-87). Aanspanningen mogen niet op autosnelwegen
want art. 21.1 vermeldt dat voetgangers, bestuurders van dieren
en bestuurders van voertuigen of slepen die op een horizontale
weg de snelheid van 70 km per uur niet kunnen bereiken niet op de
autosnelwegen toegelaten zijn.
Algemeen geldt dat elke bestuurder zijn snelheid dient aan te
passen aan de situatie ter plaatse en de staat en lading van zijn
voertuig opdat de snelheid geen ongevallen zou kunnen veroorzaken
noch het verkeer hinderen. Als de bestuurder de snelheid van zijn
voertuig aanzienlijk wil verminderen dient hij dit kenbaar te
maken door middel van de stoplichten wanneer het voertuig ervan
voorzien is of, zoniet, (en indien mogelijk) door een teken met
de arm. (dus als menner verkeerstekens geven). Elke bestuurder
moet vertragen wanneer hij trek- last- en rijdieren of vee op de
openbare weg nadert (hij moet stoppen indien deze dieren tekenen
van angst vertonen).
Het reglement vermeldt dat de bestuurder zijn voornemen om een
zijdelingse verplaatsing of een wijziging van richting uit te
voeren dient kenbaar te maken met de richtingaanwijzers wanneer
het voertuig daarvan voorzien is of, zoniet, (en indien mogelijk)
door een teken met de arm. Deze aanduiding moet ophouden zodra de
zijdelingse verplaatsing of de wijziging van richting is
uitgevoerd. Als we deze algemene regel vertalen naar de
aanspanning dan betekent dit dat de menner verplicht is een
richtingsverandering aan te geven met de arm (verkeerteken
geven).
Art 30 vermeldt welke lichten voertuigen en weggebruikers die
de openbare weg volgen moeten gebruiken tussen het vallen van de
avond en het aanbreken van de dag en in alle omstandigheden
wanneer het niet meer mogelijk is duidelijk te zien tot op een
afstand van ongeveer 200 meter. Voor gespannen, handkarren, niet
ingespannen trekdieren, last- of rijdieren of vee geldt dat
vooraan een wit of geel licht en achteraan een rood licht dient
te zijn. Deze lichten mogen in een enkel toestel verenigd zijn
dat links geplaatst of gedragen wordt behalve in de volgende
gevallen :
-A.Indien het gespan een ander voertuig trekt
-B. Indien het vee een kudde van zes stuks of meer vormt.
-In geval A en B de lichten niet in een toestel verenigd.
Bij stilstaan of parkeren gelden dezelfde verlichtingseisen.
Die lichten worden aan de aslijn van de rijbaan gebracht. (Art
31.1.2). Dit is alleen verplicht wanneer de openbare verlichting
niet toelaat het voertuig op ongeveer 100 meter duidelijk te
zien.
Art41: Gedrag tegenover militaire kollones, stoeten,
wielerwedstrijden, niet gemotoriseerde sportwedstrijden of
-competities, groepen wielertoeristen en groepen ruiters:
In dit artikel wordt onderandere beschreven dat de weggebruikers
een stoet of processie niet mogen verbreken. Ook moeten de
weggebruikers de aanwijzingen opvolgen die gegeven worden om de
veiligheid te verzekeren van
- niet gemotoriseerde sportwedstrijden of -competities door
daartoe gemachtigde signaalgevers
- en van de groepen ruiters, door groepsleiders.
Deze groepsleiders of signaalgevers moeten om het verkeer stil te
leggen gebruik maken van een schijf waarop verkeersbord C3 afgebeeld is. Deze schijf moet
ten minste 15 cm middeliijn hebben, het verkeersbord op beide
zijden afbeelden en van reflecterend materiaal zijn.
Art 53 is geheel gewijd aan gespannen en vermeldt de volgende
regels:
53.1 In een gespan mogen niet meer dan vier dieren achter
elkander en niet meer dan drie nevens elkaar lopen.
53.2 Het leidsel of het tuig moet zodanig ingericht zijn dat de
bestuurder het gespan steeds goed in de hand kan hebben en zijn
voertuig veilig en juist kan mennen.
53.3 Gespannen moeten vergezeld zijn van zoveel begeleiders als
voor de veiligheid van het verkeer vereist is. Aan de bestuurder
van het voertuig dient in ieder geval een begeleider worden
toegevoegd zodra er meer dan vijf dieren ingespannen zijn.
53.4 Wanneer een gespan een ander voertuig voortbeweegt en de
sleep, zonder inbegrip van de dissel van het eerste voertuig,
langer dan 16 meter is, moet een begeleider het tweede voertuig
vergezellen.
53.5 Wanneer de lading van een mallejan langer dan 12 meter is
moet een begeleider te voet achter de lading volgen.
55.1 De bestuurders van trek- last of rijdieren en van vee
moet, in voorkomend geval door een voldoende aantal begeleiders
bijgestaan worden.
55.2 De bestuurders en de begeleiders moeten voortdurend in de
nabijheid van de dieren blijven, ze in bedwang kunnen houden en
kunnen beletten dat zij het verkeer belemmeren en ongevallen
veroorzaken.
55.3 Binnen de bebouwde kom is het verboden de ingespannen of
bereden dieren te laten galopperen.
55.4 De ruiters die de rijbaan volgen mogen met tweeen naast
elkaar rijden. Groepen ruiters van ten minste tien ruiters mogen
begeleid worden door een groepsleider die waakt over het goede
verloop van de tocht.
De groepsleider moet ten minste 21 jaar oud zijn en hij moet
om de linkerarm een band dragen met horizontaal, de nationale
kleuren en, in zwarte letters op de gele strook, het woord
GROEPSLEIDER. Op de kruispunten waar het verkeer niet geregeld
wordt door verkeerslichten mag de groepsleider het verkeer op de
dwarswegen stilleggen op de wijze bepaald in art 41.3.2, terwijl
de groep oversteekt.
Reflectoren:
Bespannen voertuigen moeten altijd achter aan twee rode
reflectoren voeren. Deze moeten een driehoekige vorm hebben; zij
moeten vast aangebracht zijn en goedgekeurd zijn. Een der toppen
van de driehoek moet naar boven gericht zijn, terwijl de
tegenoverliggende zijde horizontaal ligt. Op de zijkant van het
voertuig mogen een of meer oranje reflectoren aangebracht worden.
De reflectoren moeten zodanig geplaatst zijn dat geen enkel deel
van het voertuig de doelmatigheid ervan vermindert. Zij moeten
altijd duidelijk zichtbaar zijn en goed uitkomen. Het hoogste
punt van het lichtweerkaatsende gedeelte van de reflectoren mag
zich op niet meer dan 1,20 meter boven de grond en het laagste
punt op niet minder dan 0,40 meter boven de grond bevinden, als
het voertuig leeg is. De twee rode reflectoren achteraan moeten
symmetrisch ten opzichte van de lengteas van het voertuig en in
een zelfde vlak, loodrecht op die lengteas aangebracht zijn. De
buitenrand van het lichtweerkaatsende gedeelte van de reflectoren
achteraan moet zich zo dicht mogelijk bij de buitenomtrek van het
voertuig en, in ieder geval, op ten hoogste 0,40 meter hiervan
bevinden.
Remmen:
Bespannen voertuigen moeten voorzien zijn van een voldoende
doeltreffende reminrichting. Deze bepaling geldt niet voor
tweewielige bespannen voertuigen waarvan het gewicht in beladen
toestand niet meer dan 1000 kg bedraagt en waarvan de bespanning
zodanig is dat het voertuig te zelfde tijd als het trekdier
stilhoudt.
Afmetingen:
De afmetingen van bespannen voertuigen mogen niet groter zijn
dan deze bepaald door het technisch reglement van de auto's.
Terug naar de inhoud van de mencursus